> nieuwsbrief > 2004 - nr 2
Inhoud
MEDEDELINGEN
In
ruil voor een ongewijzigde basisbijdrage van 21 € verzekert u
zich in 2004 van een abonnement op onze Nieuwsbrief Joris van Severen en
van het jaarboek (reeds het 8e in de rij!) Joris van Severen – zijn
persoon, zijn gedachten, zijn invloed, zijn werk. Ruim 2/3 van ons
ledenbestand reageerde spontaan op onze oproep tot hernieuwing in de eerste Nieuwsbrief
van dit jaar. We hopen dat deze “herinnering” volstaat om de
“achterblijvers” aan hun vergetelheid te herinneren en om hen alsnog tot
hernieuwing te bewegen. Als steeds hopen we uiteraard dat er zich ook onder hen
nog een ruim aantal bevinden die spontaan hun basisbijdrage naar boven afronden
tot het ronde bedrag van 25 €. Zij zijn het immers die het ons
mogelijk maken extra-initiatieven te ontplooien als het inrichten van ons 4e Colloquium
Joris van Severen.
Bedevaart
naar Abbeville
De
jaarlijkse bedevaart naar de graven van Joris van Severen en Jan Rijckoort vindt
dit jaar plaats op zaterdag 8 mei. In de op eenvoudig verzoek verkrijgbare
folder vindt men alle praktische inlichtingen, ook met betrekking tot de busreis
vanuit Lier via Antwerpen, Gent en Brugge.
4e
colloquium Joris van Severen
Ons
4e colloquium zal doorgaan op zaterdag 9 oktober 2004 in de abdij
Zevenkerken te St.-Andries/Brugge. In een viertal referaten zal aandacht besteed
worden aan respectievelijk de rol van Joris van Severen aan het IJzerfront, zijn
literaire voorkeuren in die oorlogsjaren, zijn rol als parlementair in de jaren
twintig en zijn kijk op Europa als o.m. blijkend uit zijn inbreng in het
maandblad Ter Waarheid. In het volgend nummer van de Nieuwsbrief vindt
u het gedetailleerd programma en het inschrijvingsformulier. Noteer alvast de
datum.
Archief
Joris van Severen te Leuven
Bij
het afsluiten van zijn werkzaamheden binnen het Archief Joris van Severen
aan de KU-Leuven stelde Bart Coppein - de deskundige wetenschappelijke
medewerker die tijdelijk belast werd met het archief – een rapport op met
betrekking tot de door hem gerealiseerde werkzaamheden. Het kreeg tot titel Lichtmisrapport
betreffende het archief en het fonds Joris van Severen. Uit het rapport
blijkt hoe binnen een relatief korte termijn niettemin vruchtbare resultaten
konden geboekt worden.
Museum
‘Wakken Herdenkt’ in de problemen
Het
Museum ‘Wakken Herdenkt’, gewijd aan de nagedachtenis van Hugo Verriest en
Joris van Severen, ziet zich met een torenhoog probleem geconfronteerd. Door de
verkoop van het Parochiaal Centrum, waar het museum sedert 1969 ondergebracht
is, dreigt er een huisvestingsprobleem waarvoor momenteel – en totnogtoe
tevergeefs - naar een oplossing gezocht wordt.
Deze
evolutie doorbreekt de hoopvolle perspectieven die het Komitee Wakken
Herdenkt nog kon koesteren, toen het pand een paar jaar geleden vrijkwam en
nieuwe plannen gemaakt werden voor een uitbreiding van de museumaccommodatie.
Aan
dit project kwam abrupt een einde door de verkoop van het pand op 3 juli 2003.
De koper wil het laten slopen teneinde ruimte te maken voor meer lucratieve
appartementen. Het Komitee kon op grond van zijn huurcontract bedingen
dat het zijn huisvesting behoudt tot in 2005, maar dan dient het onherroepelijk
te verhuizen. Waarheen, is de grote vraag waarvoor men zich gesteld ziet en
waarbij ook het gemeentebestuur toegezegd heeft te helpen bij het zoeken naar
een geschikte nieuwe locatie.
Bron:
Comité Wakken Herdenkt op zoek
naar nieuw onderkomen. Waarheen met het museum?,
in: De Weekbode, 17 oktober 2003.
Joris
van Severen. Une âme
In
1965 verscheen Joris van Severen. Une âme van de hand van Rachel Baes.
Jan van Severen, L. Pasteurlaan 3 te 1780 Wemmel, een neef van Joris, heeft deze
uitgave ooit in zijn boekenkast gehad, maar… uitgeleend en nooit terug gezien.
Hij is thans op zoek naar een tweedehands-exemplaar. Wie hem van dienst kan zijn
mag rechtstreeks met hem contact opnemen.
Kleine rechtzetting
In de herinneringen van Fons van Opstal wordt NAS omschreven als het Nationalistisch Arbeiderssyndicaat maar dat klopt niet. NAS staat voor 'Verbond van Nationale Arbeiderssyndicaten'. Dat werd in augustus 1931 gevormd uit het Vlaams Nationaal Vakverbond van West-Vlaanderen en de syndicale groepen uit de invloedssfeer van Wies Moens. Het vormde feitelijk de vakbond van het Verdinaso. Omwille van de toenemende incidenten tegenover het Verdinaso kwamen er vanaf einde 1933 maatregelen tegen de Dinaso's. Ook NAS ontsnapte daar niet aan. In december 1933 trok Philip van Isacker, de toenmalige minister van arbeid, de erkenning voor de NAS-werklozenkas in. Daardoor was het zo goed als afgelopen met het syndicaat én verloor het Verdinaso een belangrijke werfbasis. NAS bleef nog bestaan tot het in augustus 1934 werd vervangen door het Verbond van Dinaso Corporaties. (Jan Creve)
Documenta
Onder deze titel brengt het maandblad Delta van februari j.l. het relaas van de besprekingen tussen katholieke instanties en vooraanstaande Dinaso’s. Zo ontmoette E. Thiers op diens uitdrukkelijk verzoek kardinaal J. van Roey en onderhandelde A. Deckmyn o.m. met kanunnik Karel Dubois, de ‘generaal van de KSA’ en, samen met R. Renard, met de industrieel Bekaert van het ACVW. In de ‘wondere zomer’ van 1940 werden inderdaad merkwaardige bruggen geslagen!
De nieuwe orde
In het jongste Bulletin (nr. 29, december 2003) wordt, in het spoor van het gelijknamige colloquium, aandacht besteed aan De erfenis van Hendrik de Man. Terugblikkend op het Plan dat in de jaren van het interbellum zijn naam droeg, wordt ook het lied Op voor het Plan van den Arbeid! afgedrukt. De militanten van het Verdinaso zal dit lied bij momenten eerder vertrouwd in de oren geklonken hebben. Oordeel zelf:
(…)
Samen op de nieuwe wegen
waar zon en vreugd is voor
elkeen.
Hier is de macht die bouwen
zal
de nieuwe orde der
maatschappij!
In het spoor van Joris van Severen
Naar aanleiding van het 40-jarig bestaan van het maandblad Delta lazen we in ’t Pallieterke van 3 maart j.l. een paginagroot interview met de hoofdredacteur. Onder de titel Vik Eggermont: in het spoor van Joris van Severen herinnert de stichter van het blad aan de aanvangsjaren, toen het abonneebestand voornamelijk uit oud-Dinaso’s bestond. Wie Delta nog niet kent kan daaraan verhelpen door het aanvragen van een gratis proefnummer of proefabonnement op het redactieadres: Hoogpadlaan 72, 2180 Ekeren.
Henri Bruning vergeten?
Vijf artikelen op internet
Rond 5 mei 2003 opperden Chris van der Heijden en H. von der Dunk, de eerste in Vrij Nederland, de tweede in De Volkskrant onafhankelijk van elkaar het idee, dat het met het “geherinner” aan de oorlog nu maar eens afgelopen moest zijn en daarmee met het eeuwige gebruik van “de oorlog” als moreel ijkpunt of als morele toetssteen.
Nelleke Noordervliet vond in haar column uit die tijd dat de oorlog nog even niet meteen compleet vergeten zou moeten worden, omdat we eerst toch nog dienen na te gaan, of we de oorlog wel nauwkeurig genoeg voor het nageslacht beschreven hebben: “Is er niets vergeten?”
Iemand die volgens mij ten onrechte dan helemaal vergeten dreigt te worden is Henri Bruning1, denker, schrijver en dichter (1900-1983). In het eerste van mijn vijf artikelen, Henri Bruning in zwart en wit, laat ik zien, hoe nog voor deze nieuwe tendens de kop opstak, Ruth Beijert in een uitvoerig beargumenteerd artikel betoogde dat Bruning wegens zijn politieke en literaire waardeloosheid de onmiddellijke vergetelheid verdiende voor zover hij niet reeds volkomen vergeten mocht zijn. Ik wijd in het aan haar gewijde artikel aandacht aan het argument op grond waarvan al vóór haar Bruning aan de vergetelheid was prijsgegeven, maar dat op hààr waardeoordeel vreemd genoeg geen enkele invloed schijnt te hebben gehad. Ook constateer ik bij haar, dat zij op een bepaalde, door mij ontwikkelde hypothese betreffende een fundamentele kwestie niet ingaat, ofschoon zij van die hypothese op de hoogte was, omdat ikzelf er haar opmerkzaam gemaakt had. Het betreft de voor vrijwel iedereen onverklaarbare keuze van Bruning voor de NSB.
In het tweede artikel, Een keitje van David, de liquidatie van een geschiedenisvervalsend paradigma, werk ik in het eerste gedeelte die hypothese kritisch en analytisch uit. Die hypothese impliceert een fundamentele omkering in de bestaande wit-zwart en zelfs in de nieuwe wit-grijs-zwart visie op ons oorlogsverleden. Dat is de hoofdreden, waarom volgens mij mét het vergeten van Bruning tevens een kwestie die voor de visie van ons en van ons nageslacht op de oorlog van revolutionaire betekenis is, in de vergetelheid zou verdwijnen. Dat wil ik daarom nog net op de nippertje voorkomen. In het tweede gedeelte van Een keitje… ga ik in op de voorgeschiedenis van deze publicatie van mijn hypothese, omdat er zich ook dienaangaande iets merkwaardigs heeft voorgedaan, iets wat ik hierboven ook al in het geval van Beijert heb geconstateerd.
In het derde artikel, Nelleke Noordervliet: ‘Is er niets vergeten? Over toetsstenen en ijkpunten’ laat ik zien, dat met het in de vergetelheid verdwijnen van Bruning niet alleen een factor die zonder meer het hele goed-fout a priori ondersteboven kan gooien, definitief uit het zicht dreigt te verdwijnen, maar dat bovendien op het morele vlak – om het met Ter Braaks kwalificering van Bruning te zeggen – een “toetssteen van een zeer eigenaardige kwaliteit” in de bodemloze put van de geschiedenis omlaag dreigt te storten.
In het vierde artikel, Interview Alain Finkielkraut. ‘Geobesdeerd door de Ander’ door F. Obbema laat ik zien, dat blijkens de woorden van deze Franse filosoof de behandelde materie ook een Franse en zelfs een fundamenteel Europese aangelegenheid is. Het laatste artikel, H.J. Schoo. ‘Uitzondering Nederland’ gaat op Schoo’s column met deze titel in, omdat ik er op verschillende punten een bevestiging in meen te zien van veel van het door mij beweerde.
De vier eerste artikelen belichten, ofschoon naar aanleiding van toevallige publicaties onafhankelijk van elkaar ontstaan, vier aspecten van de behandelde kwestie op een telkens hoger niveau, zodat de totale tekst toch een goed gestructureerd geheel is geworden. Maar ik ben blij het geheel op deze manier kosteloos aan de geïnteresseerden te kunnen aanbieden, met name aan die van de jongste generatie waarover Van der Heijden zich zo laatdunkend heeft uitgelaten. Zo krijgt deze generatie op het laatste moment alsnog een hopelijk zeer verfrissende – en misschien zelfs onvergetelijke - kijk op de oorlog en de tijd erna aangeboden. De volledige hierboven vernoemde teksten vind men terug op de internetpagina’s http://home.iae.nl/users/tbruning
Raymund Bruning
____________
1 Henri Bruning trad aanvang 1934, samen met o.m. Ernst Michel en Ernst Voorhoeve, toe tot het Verdinaso. Na WO.II werd hij als “fout” bestempeld en als paria behandeld in de Nederlandse literaire wereld. Brunings zoon Raymund ijvert sinds jaar en dag teneinde de betekenis van zijn vader als dichter, denker en schrijver op zijn verdiensten beoordeeld te zien, zoniet de herschrijving van een stukje geschiedenis te bewerkstelligen. Zie ook Over Henri Bruning in Nieuwsbrief Joris van Severen, 6e jg., 1/2002, p. 8-9.
Joris van
Severen en internet
Via het
wereldwijde web vindt men niet alleen vlot onze eigen pagina's [http://www.jorisvanseveren.org]
(met o.m. de elektronische versie van deze
Nieuwsbrief) maar ook tal van andere teksten over Joris van Severen en zijn
beweging. In dit perspectief namen we hieronder andermaal een opmerkelijke tekst
over. De betiteling is deze van de betreffende internettekst.
Ontmaskerd!
Een van onze leden
maakte ons attent op de wegbpagina www.aff.be/ver3-98/severen.htm
Onder de titel Van Severen leeft!
verneemt men aldaar niet slechts
informatie over Joris van Severen, maar ook over onze vereniging. We moeten
evenwel vaststellen dat zowel het ene als het andere nogal
‘gedateerd’overkomt en behoefte heeft aan actualisering. Zonder de tekst
zelf te wijzigen hebben we door middel van enkele aanvullende voetnoten gepoogd
hieraan enigszins te verhelpen. Verder hebben we ons beperkt tot het rechtzetten
van enkele frappante taalfouten. Omwille van de lengte werd het stuk in twee
delen opgesplitst. In het volgend nummer van de ‘Nieuwsbrief’ volgt het
slot.
VAN SEVEREN LEEFT!
Joris van Severen, de mythische leider van het 'Verbond van Dietse Nationaal-Solidaristen' (Verdinaso), blijft ruim een halve eeuw na zijn dood tot de verbeelding spreken. De man die als geen ander de belichaming was van de Nieuwe Orde en zijn ideeën over een nieuwe, solidaristische maatschappij gedirigeerd door een natuurlijke elite worden ook vandaag nog steeds gekoesterd door een kleine groep hardnekkige aanbidders. Een terugblik en een overzicht van hedendaagse initiatieven.
Georges wordt Joris
Georges (Joris) van Severen werd geboren op 19 juli 1894 in het West-Vlaamse dorp Wakken als eerste van de vijf kinderen uit het huwelijk van de lokale notaris Edmond van Severen en Irma van de Male. Edmond van Severen, burgemeester van Wakken in de periode 1908-'11, was goed bevriend met de plaatselijke kapelaan Hugo Verriest, bij leven reeds een Vlaams-nationale legende. Francofonie, bourgeois-liberalisme, vroom katholicisme en interesse voor de Vlaamse zaak vormden de bestanddelen van de eerder ongewone leefwereld van de jonge Van Severen. Amper negen jaar oud werd Georges in 1903 naar het elitaire Sint-Barbaracollege te Gent gezonden. Na negen jaren internaat in het Franstalige Jezuïetencollege verliet de behoorlijk presterende maar allerminst geniale leerling de schoolbanken om student te worden aan de Gentse universiteit. Aan de universiteit betoonde de ambitieuze en hyperactieve Van Severen echter meer interesse voor de Vlaamse ontvoogdingsstrijd en het katholieke flamingantische studentenmilieu dan wel voor de opleiding 'letteren en wijsbegeerte' die hij volgde ter voorbereiding van zijn rechtenstudie.1
De studieplannen moeten in 1914 noodgedwongen wijken voor W.O. I en
anderhalve maand na het uitbreken van het wapengekletter meldde Van Severen zich
als vrijwilliger.2 Na een spoedopleiding tot hulpofficier werd hij in
december 1914 gepromoveerd tot korporaal. Drie maanden later belandde hij aan
het IJzerfront. De verschrikkingen van de oorlog en het weinig benijdenswaardige
frontleven drukten al snel een onuitwisbare stempel op de jonge militair. Het
uiterst bloedige offensief van het Duitse leger bij Verdun, honderdduizenden
slachtoffers in een absurde veldslag die maanden aansleepte, maakte van hem
"un revolutionnaire intégral..." zoals hij aan een vriend schreef.3
Conform deze revolutionaire houding droeg hij de Russische revolutie een warm
hart toe en trad hij toe tot de zich organiserende Frontbeweging waarvan hij een
militant lid werd. Ondanks zijn weinig patriottische handel en wandel werd hij
nog datzelfde jaar tot adjudant van het Belgische leger gepromoveerd. Korte tijd
later, meer bepaald op 4 januari 1917, klom hij zelfs op tot de graad van
onderluitenant. Van Severens Franstalige achtergrond (en opleiding) vormden op
dit vlak hoogstwaarschijnlijk een niet te onderschatten voordeel. Aangestoken
door het revolutionaire vuur zette hij zijn luxueuze positie op het spel door te
participeren aan de fameuze 'Open Brief
aan de koning' (waarin de slechte behandeling van de Vlaamse soldaat aan het
front werd aangeklaagd n.v.d.a.). Aan deze gedurfde onderneming hield hij acht
dagen opsluiting over en een zeker prestige in Vlaamsgezinde kringen. In de
laatste maanden van de oorlog werd Van Severen andermaal gesanctioneerd
(degradatie tot adjudant) wegens niet-optreden tegen een demonstratie van
flamingantische soldaten. Van Severen, inmiddels definitief omgedoopt tot Joris,
verliet eind 1918 het front als een compromisloos Vlaams-nationalist, overtuigd
antimilitarist en doordrongen van wrokgevoelens voor de Belgische overheid. Het
ernstige werk kon beginnen.
Na afloop van de oorlog hernam de gedemobiliseerde Van Severen zonder veel enthousiasme zijn studies aan de Gentse universiteit waar hij zich engageerde in het Algemeen Vlaams Hoogstudentenverbond (AVHV).4 Hij sloot zich ook aan bij de Frontpartij, het partijpolitieke verlengstuk van de Frontbeweging. Drie jaar na de wapenstilstand startte hij het blad Ter Waarheid (1921-'24) op waaraan o.m. Cyriel Verschaeve meewerkte. Bij de verkiezingen van november 1921 behaalde de Frontpartij vier zetels in het parlement. Van Severen behoorde, tegen de verwachtingen in, tot het kwartet verkozenen. In de kamer kwam Van Severen die bezwaarlijk als volbloed-democraat kon bestempeld worden - reeds tijdens de oorlog sprak hij zich uit voor een "oligarchie des aristocrates"5 - helemaal niet aan zijn trekken. Nauwelijks enkele weken na zijn verkiezing omschreef hij het 'parlementarisme' als een vernederend systeem en de parlementaire debatten als laag-bij-de-gronds, tijdrovend gebazel. Interpelleren deed hij bijgevolg vrijwel nooit en de enkele keren dat hij het woord nam onderhield hij de collega's uitsluitend over de internationale politiek. Naast de parlementaire wereld werkte ook zijn electorale achterban hem danig op de zenuwen: "dien boel...vreselijk te neer drukkend en ontzenuwend en vulgariserend is het contact met de Vlaamse massa, de propagandisten, de vergaderingen en de meetingen enz..."6 In die jaren nam Van Severen voorgoed afstand van het internationalistisch pacifisme dat zijn naoorlogse periode kenmerkte en raakte hij voorgoed in de ban van nationalistische denkers en doeners als Gabriele d'Annunzio, Charles Maurras en Benito Mussolini. Kritiek kon logischerwijs niet uitblijven en in de aanloop naar de verkiezingen van '25 namen een aantal Frontpartijkaders stelling tegen Van Severen die Fransgezindheid, een aristocratische levenswandel, conservatisme en een reactionaire houding werd verweten. Na een interne enquête belandde hij uiteindelijk toch op de kieslijst en werd herkozen, zij het met minder voorkeurstemmen dan in 1921. De stembusslag had bovendien niet de verhoopte doorbraak van de Frontpartij tot gevolg (6 zetels op een totaal van 187) waardoor deze ten prooi viel aan interne verdeeldheid om volledig te atomiseren naar het einde van de jaren '20 toe. Van Severen deed bijzonder weinig moeite om dit ontbindingsproces te stoppen en was op die wijze één van de hoofdverantwoordelijken voor de teloorgang van de eerste Vlaams-nationale partij. In mei 1929 nam Van Severen ondanks alles voor de derde maal deel aan de verkiezingen maar werd niet herkozen al behaalde hij zijn beste persoonlijke score ooit. Deze mislukking zette zijn anti-parlementaire en antidemocratische ideeën sterk kracht bij. In oktober 1931 gaven Van Severen en zijn medestanders (Wies Moens, Jef François e.a.) de wankele eenheid in de Vlaamse beweging de genadeslag met de oprichting van het Verdinaso. Geen politieke partij, wel een met strakke hand geleide anti-parlementaire organisatie geruggensteund door een geüniformeerde knokploeg, de 'Dietse Militanten Orde' (DMO). Het Verdinaso streefde een radicale en integrale maatschappelijke hervorming na en wou daartoe het zgn. 'demoliberale systeem' uit de wereld helpen. Het Dinaso-alternatief was een autoritaire 'solidaristische' staat in een Heel-Nederlandse (Dietse) context, geregeerd door de besten van het volk. Bedoeld werd een 'natuurlijke' en dus niet-verkozen elite. In economisch opzicht ijverde het Verdinaso voor een gestroomlijnd bedrijfsleven, zonder syndicaten en georganiseerd op een corporatistische basis.
Een visie die door het Vaticaan, de pauselijke encycliek 'Quadragesimo anno' (Pius XI) in het bijzonder, ondersteund werd. In deze pauselijke brief uit 1931 werd het solidarisme gepropageerd als het Rooms-Katholieke imperatief tegen 'modernisme', klassenstrijd, socialisme en goddeloos economisch liberalisme. In essentie een ondubbelzinnige verwerping van de verworvenheden van de Franse revolutie. 1934 was voor Van Severen en het Verdinaso een cruciaal jaar. Amper drie jaar nadat het verbond werd opgericht werden het Vlaams-nationalisme en het anti-belgicisme ingeruild voor een nieuwe strategie, m.n. de verovering - niet de vernietiging - van de eens zo verketterde Belgische staat gold als opstap naar een 'Diets rijk der Nederlanden' waartoe ook Franstalig België (Wallonië) zou behoren. Deze ommezwaai, de zgn. 'nieuwe marsrichting', verklaart de later erg loyale opstelling van het Verdinaso t.a.v. België en het koningshuis. Dit opmerkelijke manoeuvre werd uiteraard niet klakkeloos geaccepteerd door alle Verdinaso-leden. Moens en andere militanten van het eerste uur hielden het voor bekeken en Van Severen verloor sterk aan invloed in de Vlaamse Beweging. Hij kreeg wel toegang tot francofone fascistische kringen en (vooral) de Belgische elite die zich wel kon vinden in 's mans ideeën over een nieuwe, totalitaire staat, gezuiverd van het socialisme en de democratische chaos. Het spijkerharde antisemitisme dat deel uitmaakte van het Verdinaso-discours7 naast de al even spijkerharde straatterreur van de DMO nam men er blijkbaar voor lief bij. Op 10 mei 1940, de dag waarop nazi-Duitsland België de oorlog verklaarde, werd Van Severen gearresteerd door de staatsveiligheid en met zijn assistent J. Rijckoort afgevoerd naar Frankrijk. Na een tumultueuze 'reis' van vier dagen werden beiden te Abbeville op gewelddadige wijze omgebracht door een officier van het Franse leger. Van Severens dood betekende meteen het einde van het Verdinaso dat nog een jaar (tot mei '41) in volledige ontreddering bleef voortbestaan. De leiding kwam in handen van E. Thiers die weigerde gezien de heersende chaos en onzekerheid op het voorplan te treden.8 Op 24 augustus '40 werd met instemming van de bezetter de publicatie van het weekblad Hier Dinaso! hernomen maar de eendracht in de zwaar getroffen organisatie was toen al erg ver zoek. Een radicale groep o.l.v. Pol le Roy en Jef François stuurde aan op samenwerking met de nazi's wat uiteindelijk ook gebeurde en tot een opslorping van het Verdinaso door het concurrerende VNV leidde. Leden van de 'gematigde vleugel' van het Verdinaso verwierpen categoriek dit samengaan van beide groeperingen en verkozen passief te blijven of aan te sluiten bij het rechtse verzet waar in november 1941 het illegale 'Joris van Severen-genootschap' werd opgericht.
Na de bevrijding waren zowel het Nieuwe Orde-gedachtegoed als de luidruchtige exponenten ervan uiteraard taboe. Ondanks de aansluiting van een aantal Dinaso's bij (extreem-)rechtse, Leopoldistische verzetskringen kon er van een naoorlogs Verdinaso absoluut geen sprake zijn al werden de minst verbrande elementen al gauw gerecupereerd door de CVP. Het Diets-solidaristisch ideaal werd in die dagen hoofdzakelijk in leven gehouden door nieuw opgerichte, extreemrechtse jeugdbewegingen die om begrijpelijke redenen hoofdzakelijk in de clandestiniteit opereerden. De veelheid aan geïsoleerde pro-Dietse jeugdgroeperingen werd in 1951 gebundeld in het Algemeen Diets Jeugdverbond (ADJV) dat geplaagd door persoonsgebonden conflicten tussen de verschillende jeugdleiders - een vaak voorkomend fenomeen in dit milieu - al gauw de pedalen kwijtraakte. De oprichting van het VNJ (1960), veeleer Vlaams-nationalistisch georiënteerd dan wel Heel-Nederlands, betekende het definitieve einde van het zieltogende ADJV.
Naast de nieuwe initiatieven was er al in 1951 sprake van een 'Documentatiecentrum Joris van Severen', een informatie- en ontmoetingsplaats voor oud-Verdinasoleden te Aartselaar.9 Veertien jaar later werd dit centrum omgedoopt tot het 'Nationaal Studie- en Documentatiecentrum Joris van Severen' (NSDC/JvS), geleid door oud-Dinaso Jef Werkers. Met het ouder worden van de leden van de (naoorlogse) nationalistische jeugdbewegingen werden tal van nieuwe 'Dietse' denk- en actiegroepen uit de grond gestampt. Zo werd er aan het eind van de jaren '50 te Antwerpen een heus 'Diets Landsweerkorps' opgericht en kwam in 1960 het 'Verbond voor Recht en Orde' (VRO) aan de oppervlakte. In de geest van Van Severen pleitte het VRO voor een 'nieuwe staat' maar ook voor solidariteit met het apartheidsregime in Zuid-Afrika en voor harde anticommunistische actie.10 In deze orde waren o.m. Maarten Van Nierop (ex-Verdinaso-Nederland, ex-SS'er) en de Antwerpse JvS-adept Vic Eggermont actief. Laatstgenoemde zette enkele jaren later met behulp van een aantal gelijkgestemden de 'Delta Werkgroepen' op, anno 1998 nog steeds bedrijvig maar dan onder de naam 'Werkgemeenschap Delta'. Dit collectief was niet structureel verbonden met het 'Actiecentrum Delta', een strijdbaar gezelschap dat in 1967 opgestart werd maar reeds in 1969 haar activiteiten staakte. Het eerder vermelde VRO diende in 1967 af te rekenen met een afscheuring onder de naam 'Dietse Solidaristische Beweging' (DSB) waaraan het weinig later ten onder ging. In 1971 werden met de 'Solidaristische Beweging' (SB) en de 'Delta Orde' (DO) de zoveelste neo-Dinasoprojecten opgestart die een weinig succesvolle carrière tegemoet gingen. Niet één van de hoger vermelde groeperingen slaagde erin de politieke marginaliteit te ontsnappen en het gros ging indrukwekkend snel en vaak hevig bekvechtend ten onder, met uitzondering van de Werkgemeenschap Delta .
Een andere belangrijke naam met betrekking tot het naoorlogse Dinasomilieu is Louis Gueuning. Net voor het uitbreken van W.O.II was deze Franstalige en volstrekt Nederlandsonkundige man uit Soignies de aanvoerder van de 'Romaanse gouwen' van het Verdinaso. Gueuning, leraar van beroep, zocht in de eerste maanden na de invasie toenadering tot de bezetter maar verkoos uiteindelijk niet in de collaboratie te stappen. Na de oorlog en tot zijn overlijden in 1971 was hij de drijvende kracht achter diverse groeperingen en publicaties die duidelijk geïnspireerd werden door het Dinaso-gedachtegoed zoals het pro-Leopoldistische blad L'actualité politique en de 'Organisatie voor het Algemeen Welzijn/Organisation du Salut Publique' (OAW/OSP) die vooral actief was in de marge van het dekolonialiseringsproces. Gemeenschappelijk kenmerk van de onderscheiden initiatieven was een afkeer voor het parlementaire systeem, de particratie, het federalistisch-separatistische discours van de Vlaamse Beweging en een virulent anticommunisme.11 Na Gueuning's overlijden in 1971 werd de 'Fondation Louis Gueuning/Stichting Louis Gueuning' opgericht die tot op heden is blijven bestaan.
Ondanks de nauwelijks bij te houden opeenvolging van bewegingen, groepen, jeugdverenigingen en aanverwante genootschappen die zich spiegelden aan Van Severens leven en werk viel met het 'Nationaal Studie- en Documentatiecentrum Joris van Severen' (NSDC/JvS) te Aartselaar toch een (kleine) constante te onderscheiden in dit vrijwel onoverzichtelijke geheel. Het feit dat dit centrum zich vooral naar het verleden richtte en weinig bijkomende aspiraties koesterde was daar wellicht niet vreemd aan. De activiteiten beperkten zich tot het beheren van een archief, de uitgave van een driemaandelijks tijdschrift Ter Waarheid over Joris van Severen én de organisatie van de jaarlijkse bedevaart naar Abbeville naast andere herdenkingsplechtigheden ter ere van de gesneuvelde leider. Na een ononderbroken werking van ruim 45 jaar werd in de zomer van 1996 het NSDC/JvS opgeheven en vervangen door twee nieuwe vzw's. Deze zijn het 'Studie- en Coördinatiecentrum Joris van Severen' (SCC/JvS) dat de taken van het NSDC/JvS grotendeels overneemt met uitsluiting van de zorg voor het grafmonument te Abbeville en de organisatie van de jaarlijkse bedevaart richting Noord-Frankrijk, taken die aan de vzw 'Abbeville' werden toevertrouwd. Van een radicale vernieuwing is echter geen sprake. De voorzitter van het SCC/JvS is immers Jef Werkers, voorheen de voorzitter van het NSDC/JvS, en het voorzitterschap van 'Abbeville' wordt waargenomen door Maurits Cailliau12 die in het NSDC/JvS al optrad als 'reisverantwoordelijke', d.w.z. als organisator van de jaarlijkse bedevaarten. Het centrum te Aartselaar blijft nog enige tijd in gebruik als archiefruimte. In het najaar van 1997 telde het SCC/JvS 365 leden13 die op de hoogte worden gehouden door de JvS-Nieuwsbrief die eens om de drie maanden verschijnt. Daarnaast geeft het centrum een JvS-Jaarboek uit.
_________________
1 JvS, een aristocraat verdwaald in de politiek, Lode Wils, Leuven, 1994, p.11-12.
2 Joris van Severen meldde
zich niet als vrijwilliger; hij werd opgeroepen met zijn jaargang. (Noot
M. Cailliau).
3 Brief JvS aan Charles Gouzée de Harven, 27.04.1916.
4 Zie noot1, p. 17.
5 Zie noot1, p.15.
6 Zie noot1, p. 27.
7 Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1974, p. 1745.
8 Zie (7), p. 1748.
9 Joris van Severen spreekt. Gedenkboek Joris van Severen - 1894-1994, NSDC-Aartselaar, 1994, p. 266.
10 De kreeft met de zwarte scharen, E. Verhoeyen & F. Uytterhaegen, Gent, 1981, p. 90.
11 Zie noot10, p. 89.
12 Voorzitter van de vzw
Abbeville was – sedert de stichting – Paul Meeus. Hij werd aanvang dit jaar
opgevolgd door Alain Mouton (Noot M. Cailliau).
13 JvS-Nieuwsbrief, nr. 4/97, p.16.
In memoriam
We vernamen het overlijden van Walter van Thillo (°1912) die destijds een voorname rol gespeeld heeft in de beweging van Joris van Severen. We komen in een volgend nummer terug op zijn overlijden.
Lectuurnotities
Bij ‘Couleur Livres’ te Brussel (ISBN 2-87003-401-6) is een tweede druk verschenen van Histoire des Etrangers, een verzamelwerk geschreven door historici onder de leiding van Anne Morelli.
Op p. 73 van het boek vinden we een landkaart van de XVII Provinciën van Karel V. Het volstaat deze kaart voor ogen te houden om het “duurzame” van Yourcenar te beseffen.
Joris van Severen liet door Arie van der Horst dergelijke landkaarten tekenen, waarop de geschiedkundige gebeurtenissen duidelijk maakten wat hij “de eenheid in de verscheidenheid” van de Lage Landen noemde. Een werk dat nuttig geraadpleegd kan worden, vooral als voorbereiding op het aanstaande vierde colloquium.
Bij Plon komen de Mémoires van Jacques Delors te verschijnen (ISBN 2-259-19292-0). De lectuur van dit boek komt op tijd om nog tot achtergrond te dienen voor het reeds aangehaalde colloquium. Vooral dan de bezorgdheid om een “nieuwe sociale rechtvaardigheid”. Wie nog gelooft in een bezielde Benelux zal de herinnering aan Schuman (1950) niet ontgaan: “L’Europa ne se fera pas d’un coup, ni dans une construction d’ensemble, mais dans des realisations concrètes créant des solidarités de fait.”
Rudy Pauwels
Herinneringen....(22)
Alfons van Opstal, Schilde
Alfons
van Opstal heeft in het Verdinaso en meer bepaald in de Dinaso Militantenorde
– en haar voorgangers – een belangrijke rol gespeeld. Onlangs zette hij zich
aan het neerschrijven van zijn herinneringen aan de tijd van toen. We meenden er
goed aan te doen fragmenten daarvan te publiceren. Zij dragen er immers toe bij
die tijd te ontsluiten en toegankelijker te maken voor de jongere generaties.
De prille aanvang (2)
Het doen en laten van onze ploeg ‘Mortsel-Edegem’ was uiteraard op die gedenkwaardige avond voor onze dorpsgenoten niet onopgemerkt gebleven. En toen we met de laatste tram te Mortsel aankwamen bleek dit ook! We werden er opgewacht door een 50-tal toeschouwers die klaarblijkelijk met ons op de vuist wilden. De tramconducteur had de oploop evenwel tijdig opgemerkt en ons verwittigd omtrent wat ons te wachten stond. Het Mortselse gemeentehuis annex politiebureel stond in het centrum van Oude God; de tram rijd er omheen en heeft zijn halte achteraan het gemeentehuis. De conducteur had ons voorgesteld om de bocht rondom het gebouw extra traag te nemen en ons zodoende de gelegenheid te bieden zijn voertuig te verlaten vóór de eigenlijke halteplaats. Dat vonden we echter ver beneden onze waardigheid; we wilden de confrontatie wel aan.
Toen de tram aan zijn halteplaats tot stilstand kwam weigerden we dan ook om uit te stappen. Met acht man blokkeerden we twee aan twee de vier rijtuigdeuren tot de politie opdaagde. Voor hen werd één deur geopend, waarbij ze van ons de opdracht kregen het plein vrij te maken van de onruststokers. Deze hadden daar evenwel geen oren naar en wilden ons met geweld van het rijtuig halen. De eersten die met veel moeite een deur wisten open te wringen werden getrakteerd op een regen van stokslagen en moesten onverrichterzake de aftocht blazen. Hun opvolgers kregen hetzelfde recept toebedeeld. Dat ging zo’n tijdje door, tot er nog slechts een tiental linkse rakkers overbleven. Nu de tegenstander ons inzake manschappen ongeveer even sterk leek, besloten we onze muizenval eindelijk te verlaten. We openden een deur en sprongen twee aan twee de tram uit en op onze opponenten toe. Ze weken zonder veel verzet; wie met de knuisten van Jos Geerts in aanraking kwam verging overigens alle lust daartoe.
Min of meer ordelijk konden we gezamenlijk afmarcheren naar Edegem toe, weliswaar onder boegeroep en het incasseren van enkele werpstenen. Even verder konden de gebroeders Jef en Miel Janssens reeds hun straat indraaien en ongehinderd hun woonst bereiken. De overige manschappen haalden hun fietsen op om verder huiswaarts te trekken. Omstreeks 12.30 uur konden we thuis onze wonden – wat schrammen en builen – likken.
We verhaalden het relaas van deze stichtingsvergadering zo uitvoerig teneinde aan te tonen wat ons in en rond Antwerpen aan terreur nog te wachten stond. De pers reageerde ronduit schandalig op die avond, met koppen als Nazi’s stichten wanorde en schuwen geen geweld… Een propaganda-avond als door ons bedoeld was het alleszins niet geworden! We wisten meteen dat we vanaf nu geen bijeenkomsten meer konden beleggen, zonder de steun en de inzet van onze militie.
Voor het Verdinaso brak de tijd van de terreur aan. Indien we toen niet over de militianen hadden beschikt dan was de beweging nooit kunnen doorbreken. Wij waren praktisch allemaal werkjongens. Om 7.30 uur dienden we op het werk te zijn; de fiets was ons vervoermiddel bij uitstek. Na de niet te onderschatten dagtaak naar huis, zich even opfrissen om dan omstreeks 20.00 uur als militiaan dienst te doen. Niet vlak naast de deur, maar te Antwerpen, Mechelen, Brasschaat, Lier, Heist, enz. Overal per fiets heen en terug.
De zwaarste dagen waren deze wanneer een plaatselijk Dinaso Huis ingehuldigd werd; het waren dagen waarop we niet voor 2 uur in de nacht in bed kwamen. Voor verre verplaatsingen – Brussel of Gent b.v. - diende een camion gehuurd te worden. Na een of tweemaal waagde de eigenaar zich daar niet meer aan; hij kreeg zijn voertuig immers zelden onbeschadigd terug! Het kwam er op neer dat de schaarleider vooraf op verkenning uit moest om een rustige parkeerplaats te vinden, van waaruit we ons per twee als voetgangers naar de verzamelplaats begaven. Het bleek een voordeel wanneer het Dinaso Huis in een eerder smalle straat gelegen was. Een ploeg van 8 man volstond in dat geval om de opdringende horden zonodig de ganse avond lang op afstand te houden. Kwam de ons bedreigende massa massaal in beweging, dan vielen er wel eens gekwetsten. Ons lokaal werd dan herschapen in een regelrechte bedreigde vesting.
(wordt vervolgd)
In deze rubriek
verwijzen we zonder veel commentaar naar recente publicaties waarin Joris van
Severen en/of het Verdinaso vermeld worden. We citeren de meest treffende
passussen woordelijk zonder daarin volledigheid na te streven. We verzoeken onze
lezers, met ons, uit te zien naar publicaties die voor deze rubriek 'stof'
kunnen leveren en ons kopie van de betreffende passages toe te sturen.
“(…)
De Frontpartij was evenwel geen homogeen geheel. Vooral in het conservatieve en
traditioneel katholieke West-Vlaanderen stelden vele katholieken de
godsvredegedachte ter discussie. Ze koppelden godsdienst aan politiek en
stichtten in maart 1925 het Katholiek Vlaams Nationaal Verbond (KVNV ). Joris
van Severen werd ‘hoofdman’ en in de Politieke Commissie van het Verbond
hadden naast Van Severen ook Maréchal, Jeroom Leuridan, Kamiel de Vleeschauwer,
Antoon Samyn, Dries Devos, Emiel Thiers en Hendrik Cayman zitting.
Toch
was niet iedereen in de Politieke Commissie het eens met de weg die Van Severen
wilde inslaan. In de plaats van de Belgische staatsstructuur en de
parlementair-politieke partijen, wilde hij een solidaristische en tuchtvolle
staat, die door een sterke hand werd geleid, en een militie. In de discussies
moesten de commissieleden het vaak afleggen tegen zijn spreekvaardigheid en
dossierkennis, maar daarbuiten gingen velen hun eigen gang. Er ging van het KVNV
weinig leiding uit. Maréchal, die voorzitster was van de Brugse afdeling,
ergerde zich aan het feit dat de meeste leden tegen hem – Van Severen – niet
opgewassen waren. Maar als ze zelf reageerde, kreeg ze wel eens een minder zacht
antwoord van Van Severen. (…)”
______________
Frans
van Campenhout, Mevrouw Maréchal en het Vlaams Nationaal Vrouwenverbond,
in: Bormshuis-Broederband, jg.40, nr. 6, 2003, pp. 7-13.
Meervoud
“In
de vorige aflevering van Meervoud publiceerde Hendrik Carette de column Landgenoten,
kameraden, geliefde broeders, waarin hij in zijn bekende wijdlopige stijl
zijn belangstelling belijdt voor de geschiedenis van de Vlaamse Beweging (…).
Carette grijpt ook de gelegenheid om verheven commentaar rond zijn geliefde
Joris van Severen te spuien en tot slot plechtstatig af te kondigen: ‘De
geschiedenis bewaart nog veel onontsloten geheimen en onopgeloste raadsels in
haar (open) graf en niet zozeer de realiteit, als wel de historiciteit overtreft
soms de verzonnen verhalen van zij die alom en allerwegen dwalen’, stelt
Carette nogal sibillijns. ‘Geef mij dus maar eerst een grootse en
meeslepende mythe, nadien kan die mythe dan nog altijd rustig en sereen
bestudeerd en eventueel zelfs gedeconstrueerd of ontrafeld worden.’ (…)”
__________________
Henri-Floris
Jespers, Door de leesbril bekeken, p. 10-11, najaar 2003.
Thiois
de langue romane
“(...)
Je me définis aussi comme Thiois de la langue romane, ce qui me semble traduire
cette identité celto-germanique latinisée: la langue française m’est aussi
une patrie. (...) Le rêve thiois, celui de Joris van Severen, un vrai preux, et
de son continuateur l’inclassable Louis Gueuning, cette nostalgie des Pays-Bas
Belgique, est aussi mienne. Je suis convaincu que Brabançons, Limbourgeois,
Hollandais, Zeelandais, Hennuyers, Namurois, Liègeois et Luxembourgeois, sans
oublier Picards et Alsaciens, constituent un ensemble lié par une histoire
prestigieuse, celle de la Lotharingie et des Ducs de Bourgogne. Fidèle au
principe monarchique je me range résolument parmi les Impériaux. L’Empire,
le Rijk pour parler thiois, est seul à même de sauvegarder autonomies
et patries charnelles, de transcender et de respecter la mosaïque des ethnies. (…)
____________
Christopher
Gérard, in: Parcours païen, Lausanne, 2000, p. 39.
H.
Balthasar over Hendrik de Man en Joris van Severen
In
het praatprogramma Rondas van Klara was op 25 januari j.l. tussen
12 en 13 uur de historicus (en provinciegouverneur Herman Balthasar) aan het
woord over Hendrik de Man en zijn Plan. Daarbij kwam ook het ethisch
socialisme van De Man ter sprake en de parallellen tussen, indien al niet de
nauwe verwantschap van De Mans (en Spaaks) visie omtrent nationalisme en
socialisme met het nationaalsolidarisme van Joris van Severen.
Adel
en Verdinaso
“(…)
Wie niet weet – of er geen kennis wil van nemen – dat de adel in de jaren
dertig dicht bij de maatschappelijke denkbeelden en de politieke
hervormingsfilosofie van Joris van Severen en Léon Degrelle heeft gestaan en er
ook durfde voor uitkomen, mist grote schakels in de politiek-maatschappelijke
geschiedenis en de historische evolutie van dit land. De gravin-auteur trekt
nauwkeurige lijnen naar het Verdinaso dat op de adel zo een grote impact had dat
de idee tot stand kwam dat de Vlaamse Beweging en België onafscheidelijk met
elkaar verbonden moesten zijn, om vorst en vaderland te redden. De adel ontdekte
het Vlaamse belang en de ‘Vlaamse kwestie’ voor het instandhouden van het
vaderland. Het Verdinaso ontblootte voor de adel de pijlers van een innerlijk
sterke en politiek elitaire Belgische volksgemeenschap. (…) Niet het recht,
maar de plicht was het sleutelwoord binnen een nieuwe maatschappelijke ordening
in wording. In adellijke kringen won het begrip ‘l’ordre thiois’ aan
kracht en inhoud. (…)”
____________
L.
Bros, Adel in het verzet en de collaboratie, in: ’t Pallieterke,
4 februari 2004, p. 5 (n.a.v. en recensie van: Marie-Pierre ‘Udekem d’Acoz, Voor
koning en vaderland, Uitg. Lannoo, 2003.
Over wallinganten die samenwerkten met het Vichy-regime
"(…) Pour les cibles du Mouvement wallon figurait en bonne place le Verdinaso (Verbond van Dietsche nationaal solidaristen), groupement des solidaristes nationaux thiois, fondé par Joris van Severen (1894-1940) en 1931; les "Dinasos", anti-parlementaires et favorables au corporatisme, essayaient de concilier loyauté à la dynastie, sentiments pan-néerlandais et défense de la neutralité.(...)” (p. 14)
En
verder, in verband met een document dat de walliganten die begin juni 1940 in
Frankrijk verbleven naar de Belgische wallinganten hadden opgestuurd:
"Le ou les auteurs du document se livrent à une analyse sans complaisance de la politique belge des années trente, tout en déplorant que ‘la politique wallonne d'opposition ne fut aucunement soutenu ni encouragée par la France.’ On y agite le spectre d'un ‘gouvernement royal’ dont ferait parti le chef des Verdinasos Joris van Severen.(…)”
_______________
Hervé
Hasquin, Les séparatistes wallons et le gouvernement de Vichy (1940-1943).
Une histoire d'Omerta, Classe des Lettres Académie Royale de Belgique,
Bruxelles, 2004, 196 p.